Vergaderingen van de kerkvoogden

Uit Dorpsbabbel nr 53 tm 57. Geschreven door H. Tuma.

Wat er zoal ter tafel kwam

In de vergaderingen van de kerkvoogden en wanneer, mag blijken uit het volgende overzicht over de periode 1868−1928. Uit de kerkboeken van de Ned. Hervormde Kerk.

1868: Na de bouw van de nieuwe school wordt besloten om van de oude school een woonkamer te maken voor de koster−onderwijzer.

1869: De vrouwelijke leden van de kerk krijgen nu ook stemrecht. De kerkekwelder wordt verhuurd aan R.P.Abbong.

1871: Er wordt een ijzeren brandwaarborgkast aangeschaft. Het grasgewas op het (oude) kerkhof wordt verkocht aan smid L. Munting. Het herstellen van het straatje aan de noordzijde van de kosterij wordt aangenomen door P.Timmer, mr. timmerman te Vierhuizen.

1872: Het grasgewas op het kerkhof is onderhands verkocht aan Bertus, voerman te Ulrum, de eerste snede voor f 5,00 en de tweede of laatste snede voor f 1.50.

1873: Graszoden voor de Panserpolderopdijk worden verkocht voor 75 et. per vierkante roede (gron. maat van 16 voeten) J.van der Schaaf koopt het gras op het kerkhof voor f 8.50.

1874: Ingekomen een aanvraag bij wijze van intekenlijst om subsidie voor een eventueel aan te leggen grindweg vanaf het gehucht Elens tot aan het dorp Vierhuizen. Er wordt besloten om hiervoor een bedrag toe te staan. De Huurder van de kerkekwelder dhr. Abbring doet aanvraag om een zomerdijkje op de kwelder te leggen en is geneigd om het aardewerk voor eigen rekening te nemen om vervolgens de bezoding en het leggen van een afwateringspomp aan het college van kerkvoogden over te laten. Het Gemeentebestuur van Ulrum deelt mede, dat er een lijkenhuisje op de( oude) begraafplaats moet worden gebouwd.

1875: De notabelen machtigen de kerkvoogden om het nog in de kerk aanwezige orgel te verkopen.

1877: Er is een verzoek van Lammert van Dijk om vergunning tot aankoop van een heemstede op het pastorieland, gelegen ten zuiden van de grindweg bij Vierhuizen (thans Hoofdstraat 46) Uitdrukkelijk bedongen dat zij niet mogen beginnen te bouwen, voordat de kerkvoogden aanwijs op het terrein hebben gedaan hoe en waar dient te worden gebouwd. De begroting van de uitgaven en de kiezerslijst wordt nu voor belanghebbenden neergelegd bij J.van der Schaaf ter inzage.

1878: De pastorie krijgt een waschkamer en nieuwe schuurdeuren. Er zal een commissie worden benoemd, die moet onderzoeken of een geschikt terrein te verkrijgen is tot aanleg van een nieuwe begraafplaats en hoe hoog de kosten van aanleg en bezit zal zijn.

1879: De aanleg van een nieuw kerkhof voorlopig uit stellen en na gaan of zich later een geschikt terrein daarvoor aanbiedt.

1880: Ingezetenen van de Westpolder, de heren Zijlma, Dijkhuis en Mansholt dringen aan om een nieuw kerkhof aan te leggen met het oog op een sterke vermeerdering van de bevolking onder Vierhuizen door de indijking der Westpolder. Een bedrag beschikbaar stellen voor het leggen van een grindweg vanaf Vierhuizen ( handwijzer) tot Zoutkamp.

1881: Er wordt besloten een kachel in de kerk te laten plaatsen door smid Munting. Een stuk pastorieland, groot 71.40 are, wordt het nieuwe kerkhof. De huurder van deze grond dhr. Hazenberg wordt schadeloos gesteld voor zijn recht als huurder.

1882: De pastorie wordt vertimmerd volgens de begroting. P.Timmer, houtkoper en architect te Ulrum verklaart zich bereid het werk klaar te leveren. De nieuwe begraafplaats is klaar, behalve de dam, die moet nog worden opgemetseld. Het kerkhof open stellen op 1 Mei 1882.

1884: De predikant krijgt een vergoeding voor het poten van vruchtbomen in de pastorietuin.

1886: Vandalisme op het kerkhof. De veldwachter er achter aan sturen en, bij ontdekking van de daders, een premie ter hand stellen. Een nieuwe grensscheiding tussen de dijk en kwelder van de heer R.Abbring (Midhalm) en de kerkekwelders. Een zwetsloot vanaf de dijk door de hooikwelder en dezelfde richting houdende door de onbewassen kwelders, waarvoor een geul van 470 meter lang zal worden gegraven. De schutting op de dijk verplaatsen jiuist voor de nieuwe grens. De kosten gemeenschappelijk dragen.

1888: Meester W.J.Postema krijgt per 1 mei eervol ontslag en vraagt of hij de. baan van koster mag behouden. Dit wordt niet toegestaan, omdat de nieuw te benoemen onderwijzer dit er bij hoort te doen. Wel krijgt hij een jaarlijkse bijdrage in 2 termijnen uit de kosterale fondsen tot zijn dood. De gemeente Ulrum is bereid om de kosterij aan te kopen als woning voor het nieuw te benoemen hoofd der school. Het ijzeren hek voor de oude begraafplaats blijft eigendom van de kerk. Tot hoofd der school wordt benoemd de heer P.Winter, onderwijzer aan de openbare school te Ulrum. Hij wordt tevens benoemd tot voorlezer, en voorzanger bij de Hervormde gemeente te Vierhuizen per 1 juni 1888.

1889: De kerkvoogden hebben benoemd ais kerkelijke bediende Martje Loots, weduwe van Gerrit te Bos, in de plaats van Elizabeth Hazenberg, die bedankt wegens vertrek naar Noord Amerika. Verdiensten jaarlijks hiervoor f 19,00 en f 2,00 voor het stoken der kachel, f 2,00 voor het plaatsen van stoven in de bank van de kerkeraad, en f 15,00 voor het opsteken van lampen, inclusief de olie hiervoor.

1890: Voorstel van W.Loots om weer een orgel in de kerk te plaatsen.

1893: Door de fa. P. van Oekelen wordt een nieuw orgel in de kerk geplaatst. Verhuring van zitplaatsen met het doel om meer stemgerechtigde leden te verkrijgen. De heer Hekma geeft verslag van een onderzoek, ingesteld bij Graatsema te Den Hoorn,, aangeaande het torenuurwerk Hij had te kennen gegeven dat hij het uurwerk in de toren te Vierhuizen mee gemaakt had en kon niet geloven dat het versleten was. Hij beloofde een onderzoek in te stellen.

1894: Het collatierecht van Vierhuizen/Zoutkamp in het bezit van de erven van wijlen W.Dijkhuis wordt te koop aangeboden. Dit collatierecht noemt de heer P.Winter een onrecht, dat wortelt in het leenstelsel, aan de nivellering der Franse revolutie ontsnapt. Er wordt bestoten het collatierecht aan te kopen.

1897: Het schoolplein wordt vergroot, door het verplaatsen van het hek en de houten schutting ter breedte van het lijkpad. De bomen die hier staan langs het hek, blijven aan de kerk.

1898: Het zomerdijkje op de kwelder wordt verzwaard door de huidige huurder de heer R.J.Beukema. Tijdens het ontbreken van een predikant is als huisbewaarder van de pastorie benoemd Klaas van der Horn.

1899: De heer G.Buining vraagt permissie om palen op de slikgronden achter de kerkekwelder uit te graven. Besloten wordt om dit voor de winter niet meer toe te staan doch hierover nader te besluiten in de volgende vergadering Notabel Kuilenbeng vindt het noodzakelijk om de sloot achter de pastorietuin te graven, wat algemeen wordt toegestaan. Notabel Pot meldt dat het toezicht op de begraafplaats onvoldoende is, waardoor niet zelden, vooral des zomers het plansoen door jeugdige bezoekers erg wordt beschadigd De vergadering besluit hierop strenger toe te zien, een waarschuwingsbordje te doen plaatsen en tegen overtreders een vervolging in te stellen. De brandverzekering "s-Hertogenbosch" wil de schade door inslag van de bliksem met het Kerkbestuur regelen. Er wordt besloten één bliksemafleider op kerk en toren te plaatsen.

1901: K.van der Horn woont niet meer in de pastorie en vraagt teruggave van de personele belasting. Dit als gevolg van het feit, dat de pastorie thans wordt bewoond door de nieuwe predikant ds. Dijkstra. Vanwege het drukke kerkbezoek komt het thans nogal eens voor dat er in de vrouwenbanken te weinig plaats is, en door mannelijke kerkgangers aan die zijde soms drie é vier banken in beslag worden genomen. Er wordt besloten dat door een opschrift zal worden bekend gemaakt, dat slechts de beide achterste banken voor mannen zijn gereserveerd.

1902: Het verzoek van het anfarecorps "Wilhelmina" te Ulrum om gezamelijk met het daar bestaande christelijke zangvereniging "Excelsior" een uitvoering te mogen geven wordt met 4 tegen 4 stemmen niet toegestaan, evenzo wordt dit niet toegestaan in de Herv. Kerk te Ulrum. Het voorstel van B. Kuilenberg een lantaarn bij de kerk te plaatsen ten behoeve van de avondgodsdiensten en catechesaties, wordt thans met algemene stemmen bestoten hiertoe over te gaan.

1905: Er wordt besloten het lijkenhuisje van het oude kerkhof naar het nieuwe kerkhof te verplaatsen. Tevens wordt besloten een nieuwe vloer van tegels in de toren te leggen.

1906: De weerhaan op de toren zit vast en hiertegen worden maatregelen genomen.

1909: Bij het leggen van een nieuwe vloer in het koor van de kerk, is gebleken, dat daaronder geen grafzerken aanwezig zijn. Aan de noordzijde werden slechts losse beenderen gevonden, doch scheen de grond wel reeds vroeger dooreen gewoeld. Aan de zuidzijde vond een op 1.15 meter diepte, 1.60 meter van de zijmuur en 1.80 leter van de eindmuur een nog volledig geraamte alsmede sporen van een kist en ijzerwerk. Op de genoemde diepte begon een grindlaag van 1.50 m. dikte waarop blijkbaar eens de kisten werden geplaatst. Of er een grafkelder is geweest, blijft twijfelachtig, wel stuitte sen bij het graven aan de noordzijde op een klein gedeelte luur.

1911: Een brief ontvangen van notaris Boamel van Vloten, gedateerd 4 dec. 1911, waarin een legaat aan de Nederduits Hervormde Gemeente te Vierhuizen wordt toegezegd door wijlen mevrouw Liefdina Dijkstra, weduwe van Th. van der Ley, te Groningen overleden op 18 nov. 1911, waarbij zij verzoekt een huis te doen bouwen, waarin 4 kamers en om ieder dier kamers door een weduwe levenslang of hertrouwende tot hertrouwd toe zonder vergoeding te laten bewonen. Als plaats voor het nieuwe weduwenhuis werd aangegeven: Een plek grond tussen het Kerkhof en de Breedeweg of naast de pastorie, naast U. de Vries, bij P. Bieringa in huur, naast het huis van Kuilenberg waar thans de huizen van P. Hoekenga en Zwart staan, of naast wed. J. Hekma.

1912: Voorgesteld wordt een grote regenbak te laten bouwen om het water daarin te gebruiken voor het schonen der kerk en het schrobben der straten en bij grote droogte de inwoners van het dorp er ook van te laten gebruiken. De bak zal worden gemaakt op de westhoek van de kerk door timmerman R. Postema. Het nieuwe weduwenhuis zal na veel discussie gebouwd worden aan de straat naast de Breedeweg. Als eerste weduwen worden benoemd: wed. J. v.d. Schaaf, wed. G. Douwma, wed. T. van der Horn en wed. K. Vos.

1915: De kerkekwelder is gemeten. De oppervlakte bedraagt 23.54.10 Ha. + hooikwelder 4.51.57 Ha., totaal 28.05,67 Ha.

1916: De gemeente Ulrum wil een stuk grond kopen voor de bouw van nieuwe woningen. Het betreft hier beddegras. De koop gaat echter niet door, de grond is te duur.

1917: Er zal elektrisch licht worden aangelegd in de kerk, pastorie en weduwenhuis. De kerkvoogden gaan naar Groningen om 2 kroonlampen uit te zoeken bij de fa. Stokvis voor in de kerk.

1918: De voorzitter deelt mede dat de "Ulrummer Woningbouw Stichting" heeft besloten te bouwen op beddegras. De prijs van de grond is f 3.50 per are.

1919: Een schrijven ontvangen van de heer Lindenberg te Hornhuizen over het bijwonen van een vergadering te Ulrum ten einde te onderzoeken of de mogelijkheid bestaat een kanaal te graven vanaf Zoutkamp, via Vierhuizen en Hornhuizen naar Üilnest. Allen erkennen de grote belangen van een scheepvaartkanaal voor het dorp Vierhuizen. De secretaris deelt nog mede, dat getracht zal worden door belanghebbenden een waterschap op te richten. Omdat de zeedijk belangrijk moet worden bezwaard, klinken de eerste geluiden om de kerkekwelder in te dijken. Er is een verzoek binnengekomen om nog meer grond af te staan aan de Woningbouwstichting Ulrum. Notabele Zijlma is het volkomen eens met de kerkvoogden, dat hier in Vierhuizen aan flinke woningen voor arbeiders behoefte is. In Zoutkamp zijn reeds nieuwe woningen gebouwd.

1920: De timmerwerkzaamheden niet alleen meer door R. Postema laten doen, maar ook een gedeelte aan T. Buining geven. De secretaris heeft een tekening en begroting over de indijking der kerkekwelder van de heer Vegter ontvangen. Hoe hoog de kosten zijn, is niet ingevuld. Er wordt in elk geval besloten niet tot indijking over te gaan als de kerk er niet een belangrijk voordeel van heeft. De heer C. van Hoorn wil 3 percelen pastorieland kopen. De percelen zijn thans in huur bij dhr de Vries. De verkoop gaat door. Ingekomen is een schrijven van B&W van Ulrum: Of kerkvoogden bezwaar hebben, dat P. Hoekenga, smid te Vierhuizen, een Motor in zijn smederij zou plaatsen. Hiertegen is geen bezwaar. Door ds. Dijkstra was een paar zondagen geleden afgekondigd, dat de kerkeraad had besloten het diaconiehuis te verkopen. (Dit is het vroegere werkhuis). Hier zijn vele mensen op tegen, omdat de kans bestaat voor afbraak of dat een landbouwer eigenaar wordt, die er arbeiders in laat wonen en dan staan de weduwen op straat. Op 27 dec. 1920 werd tot publieke verkoop overgegaan. Kopers werden de timmerlieden T. Buining en L. Reitsma.

1921: Een schrijven ontvangen van Prov. Bestuur van Groningen, oh op woensdag 10 aug. in het Provinciehuis aanwezig te zijn ten einde een bespreking te houden over de indijking van de kerkekwelder. Het verzoek van hogerhand zal voornanelijk gericht zijn o.a. werkloosheid te voorkomen. Na langdurige bespreking wordt besloten de indijking te bevorderen onder voorwaarde, dat de kerk het aanslibbingsrecht achter de te leggen dijk aan zich houdt en geen onderhoud aan de nieuwe dijk zal hebben. Zijlstra en Siccema zullen de bespreking bijwonen. Na vele discussies over grondprijzen komt er een schrijven van de Gedep. L.H. Mansholt, nanens het Prov. Bestuur, en deelt mede, dat de gevraagde steun voor de indijking niet verkregen kan worden van de minister. Misschien kan een volgend jaar de aanvraag met gunstig resultaat worden herhaald. Dr. R.J. Mansholt vraagt aan kerkvoogden de helft van de kosten voor de graverij in de oude putten. Er wordt besloten dit te betalen, maar de helft door huurder Haan te laten betalen.

1922: Notabele P. Hoekenga, als gast aanwezig, neemt afscheid na 31 jaar notabele der kerk te zijn geweest. Hij had aan vele belangrijke zaken Meegewerkt, zoals de aankoop van het orgel, de aankoop van het collatierecht en het bouwen van het weduwenhuis, Hoekenga woont thans in Leens.

1923: Meester Sinter, tevens voorzitter der kerkvoogden, maakt bekend, dat hij per 1 mei a.s. ontslag heeft aangevraagd en t.z.t. naar Den Haag zal vertrekken (1 mei 1924).

1924: Meester Van Denderen wordt het nieuwe hoofd der school en tevens met algemene stemmen tot organist en koster benoemd.

1925: De onderhandelingen over de bedijking van de Kerkekwelder zijn weer begonnen. Men gaat akkoord met het voorstel van gedeputeerde Mansholt, Gerrit Sozena heeft de pastorie gehuurd voor één gulden per week. Vanwege het proces over de Kerkekwelder ziet Zoutkamp voorlopig af van een bedijking. Wel worden de kerkvoogden gemachtigd met de voorbereiding van de bedijking door te gaan, wanneer ze hiervoor een verzoek van het Provinciehuis ontvangen. Een verzoek van Meester Van Denderen om de kerk af te staan voor een op te richten zangkoor wordt toegestaan.

1926: De bedijking der Kerkekwelder gaat eindelijk door. Het Waterschap Hunsingo koopt de helft van de kwelder plus de nieuwe dijk. Tevens wordt besloten een nieuwe pastorie te bouwen. De pastorietuin wordt bekeken met het oog op het verleggen van de straatweg, dit in verband met het bepalen van de plaats waar de nieuwe pastorie gebouwd zal worden. De inwoners van Vierhuizen zouden graag zien, dat de straat verlegd zou worden door de pastorietuin. Het geschil over de kwelder met Zoutkanp wordt bijgelegd en Zoutkanp doet uitdrukkelijk afstand van alle rechten op de kwelder, slikken en aanwas, welke die kerkvoogdij krachtens Kon. Besluit van 1832 zou kunnen laten gelden. De Gemeente Ulrum is niet bereid, bij gratis afstand van grond, de bocht bij café Zantinga te verbeteren door de weg over de pastorietuin te leggen. De nieuwe pastorie is gegund aan de architect, tevens aannemer, dhr. B. Reitsema te Leens. Het glaswerk, verf en behang is gegund aan Joh. Nienhuis te Vierhuizen.

1927: Bij de indijkingswerkzaaaheden der Kerkekwelder kunnen alleen arbeiders worden geplaatst uit geneenten, die tot de werkloosheidsbestrijding bijdragen. Aangezien de Gemeente Ulrum hier niet aan bijdraagt, kunnen dus arbeiders uit deze geneente hier niet worden geplaatst. Op 13 februari is de heer H.J. Siccema op bijna 52 jarige leeftijd overleden. Hij wordt geprezen voor het vele werk, dat hij voor de kerk heeft gedaan. Dat hij ruste in vrede op het kerkhof, waaraan hij zoveel jaren zijn zorgen gaf.

Dorpsbabbel archief

Dorpsbabbel home